Onstaan van Het Zwin

Reeds eeuwen voor onze tijdrekening verplaatste onze zeekust zich voortdurend. 
De Vlaamse Zee overdekte dan heel het bekken van de Schelde dat zich slechts eeuwen nadien vormde door het terugtrekken van de zee.
Na de inzakking van Noord-België volgde er een opwaartse beweging van de bodem die de zee terugdreef tot ongeveer 15 km ten noorden van onze huidige kust.
De Stormvloed van 1134, de eerste grote stormvloed na de stormvloed van 1014, trof vooral het zuidwesten van Nederland.
Door de stormvloed werden de verschillende kreken in Zeeland, die vooral ontstaan waren in 1014, vergroot en daarmee ook de invloed van de zee in het binnenland, bronnen melden dat Zeeland hierbij verwerd tot een archipel. 
Verder ontstond ook het Zwin. De dijken langs het Zwin werden met elkaar verbonden met een dam, de locatie van het huidige Damme.
Tussen Damme en Brugge werd een kanaal gegraven, waardoor Brugge wederom een beveiligde verbinding kreeg met de Noordzee. 

De stad Brugge had in de Middeleeuwen zijn faam als beroemde handelsstad aan die zeearm te danken.
De torens van Westkapelle en Knokke fungeerden als baken voor de zeelieden bij hun tocht naar Damme. Damme werd de haven van Brugge.

Met de tijd echter verzandde de zeearm van het Zwin langzamerhand en werd de eens zo machtige stroom onbevaarbaar. 
Dit had het verval van Brugge als handelsstad voor gevolg. 
Door de verzanding werd Brugge onbereikbaar en moesten voorhavens worden aangelegd. 
De eerste was Damme, nadien volgden zeewaarts Hoeke, Mude (nu Sint Anna ter Muiden) en tenslotte Sluis.
In Holland had deze stormvloed tot gevolg dat de duinen bij Monster en Naaldwijk in de golven verdwenen.
Een bewijs van die overstromingen zijn de turflagen die onder het zand bedolven zijn en waarvan er na hevige stormen stukken turf op het strand aanspoelen.
Bij het graven van het zeekanaal tussen Brugge en Zeebrugge werden er duizenden boomstammen opgedolven.
Dit is het ontegensprekelijk bewijs dat de bosrijke bodem gedurende de eerste eeuwen langzaam ingezonken is
Door aanslibbing en verzanding is er niet veel meer dan een strandgeul met achterliggende slufter van over. Oorspronkelijk was de monding ruim 6 km breed.

De overstroming alsook de regelmatige werking van ebbe en vloed hadden voor gevolg dat er zich met de tijd aanzienlijke kleiaanslibbingen overal ophoopten, die langzamerhand boven de vloed uitstaken en enkel nog bij springvloed overstroomden
Zo ontstonden geleidelijk uitgestrekte schorren die ingedijkt werden en later de vruchtbare polderstreek uitmaakten. 
De bewoners van de eerste eeuwen plaatsten hun schaapskooien op hoger gelegen plaatsen, vluchtheuvels of terpen genoemd en van daaruit trokken ze naar de schorren om er hun dieren te laten grazen.
Ook hoornvee graasde er. 

In Knokke vorderden de indijkingen gaandeweg naarmate zich in de schorren een voldoende dikke kleilaag gevormd had die kon dienen als landbouwgrond.
De strandgeul, die bij eb gemakkelijk te doorwaden is - niet meer dan enkeldiep - vormt de grens tussen Nederland (Cadzand) en België. Het sluftergebied is Belgisch grondgebied.
De oudere naam voor het Zwin is Sincfala.

In 1622, ten tijde van de Spanjaarden, werd de Oude Hazegraspolder ingedijkt door de aanleg van een dijk die vanaf het Spaanse Fort Sint-Pol tot aan de wijk van De Vrede en verder liep tot Sluis.
Philippe-François Lippens, ingenieur en waterbouwkundige legde in 1784 de Nieuwe Hazegrasdijk aan en veroverde daarmee de Nieuwe Hazegraspolder op de zee. 
Daarna dijkte hij de Zoute polder in waar in latere jaren de mondaine badstad van Het Zoute zou verrijzen. 
De heer Lippens verwierf het eigendomsrecht van de op zee veroverde gebieden die later ook eigendom werden van zijn nakomelingen.

Van de eens zo brede zeearm van het Zwin blijft er nog slechts een kleine geul over. 
Bij het aanleggen van de internationale dijk in 1870 werd het Zwin volledig afgesloten van het hinterland. 
De Graaf Jansdijk, in de vijftiende eeuw door Jan zonder Vrees, Graaf van Vlaanderen aangelegd, beschermde het hinterland tegen overstromingen van de zee.

De Duivelsput was een waterkolk, een waal, gevormd door een dijkbreuk in de Graaf Jansdijk en gelegen nabij het kruispunt van de straat met dezelfde naam en de huidige Jan Devischstraat. 
De diepte ervan bedroeg zestig jaar geleden minder dan een meter. In de winter kon men er veilig op schaatsen.

Over de Duivelsput werden vroeger allerlei sterke verhalen verteld. 
Zeventig jaar terug schreef onderwijzer-dichter Ward Vervarcke in een toneelstuk over de Duivelsput, opgevoerd door de leerlingen uit het achtste leerjaar van de Gemeenteschool:

Zou het waar zijn wat men ons vertelt.
Dat eens een kerk door het zeegeweld
Verslonden werd met beuk en zuil, In deze grondeloze kuil, 
Dan is het geen wonder dat het er spookt
En 's nachts een duistere damp er rookt.
 

Graaf Leon Lippens, befaamd ornitholoog en natuurbeschermer, was jaren burgemeester van Knokke. 
In 1952 maakte hij van het Zwin een natuurreservaat dat tot ver over de grenzen bekend is en vooral druk bezocht door de schooljeugd uit het hele land.
Hij is ook auteur van talrijke boeken over ornithologie.
In 2005 werd er reeds een principeakkoord getekend, waardoor tot 2006 het Zwin beheerd werd door de Compagnie het Zoute. 
Hierna nam de Vlaamse Gemeenschap het 155 hectare grote natuurgebied over en stelde het zich tot doel de verzanding aan te pakken en het natuurreservaat uit te breiden door er delen van de Willem-Leopoldpolder aan toe te voegen. 
Het bijbehorende vogelpark werd overgenomen door de Provincie West-Vlaanderen.
Er zijn tot op heden ingrijpende veranderingen aan de gang.