Hulde aan Staf Knop

Zijn smoking deed hij alleen uit om te slapen

Hij was de privé-telefonist van Leopold III, hielp Duitse wetenschappers ontvoeren voor de Britten, werd als showbizz-journalist voor deze krant bevriend met Yves Montand en Charles Aznavour, danste met Ursula Andres en Raquel Welch tegelijk.
Staf Knop reeg een lang leven aaneen van straffe verhalen. Hij schreef ze neer in boeken. En toch: hij voelde zich miskend.
Het Münchhausensyndroom, zou je spontaan denken.
Maar niks daarvan. Hij wás gewoon altijd waar de buzz zich voordeed.
Van veel verhalen zijn er althans de foto's, waarmee hij zijn boeken heerlijk opsmukte.
Al leek het soms stom toeval en had hij ook bijna een eeuw de tijd om straffe verhalen te verzamelen.

Staf Knop. Geboren in 1921, in Sint-Agatha-Berchem.
Vader was glazenier, moeder huisvrouw.
Staf - die nog een broer en een zus had - liep vaak naar het volkscafé van zijn tante.
Hij kreeg limonade én cinemakaartjes.
Cinema was nieuw en kostte een cent.
Tante kreeg de kaartjes gratis om de affiches op te hangen en de wereld van magie ging open voor Stafke.
Zijn grote idool: Rudolf Valentino!
Het eerste latino-sekssymbool ever, het zwarte haar stijl achterover met brillantine, zijn strakke pakken.
Staf zou hem zijn leven lang imiteren.
In de donkere zaal met die beverige projector dacht hij al: ik schrijf betere scenario's.
Later zouden 30 toneelstukken volgen, nog voor die twintig boeken.

Du. Mitkommen!
Flamboyant, joviaal. 'Every inch a gentleman'.
Eenmaal uit de korte broek zag niemand nog het armoedige ketje in de man onder het maatpak, bijeen geklust met jobs allerhande.
Maar showbizz, zo ver was het nog niet.
'Gij met uw film-idolatrie. Ga bij het ministerie werken, dat is werkzekerheid', had moeder geboden. Staf kwam als 18-jarige bij de PTT.
Op een dag riep iemand: 'Jij. Meekomen!'.
"Waarom ik? Wellicht omdat ik er het keurigst uitzag."
Staf Knop werd de persoonlijke telefonist van Leopold III op het paleis in Laken.
Maar de koning telefoneerde niet de hele dag, Staf zat niet altijd achter het schakelbord.
Zo reed hij soms met Boudewijn, toen een ventje van 9, op zijn fietsbuis door de paleistuin.
"Vond hij zeer plezant."

Een jaar later brak de oorlog uit en werd Staf opgeroepen.
Te voet naar Duinkerke, maar daar was de post onbemand en dus onverrichterzake terug naar Brussel.
Hij ging naar de cinema, wat anders?
Toen hij de Eldorado op het Brouckèreplein buiten stapte, botste hij recht op de Gestapo.
'Du. Mitkommen!'
Hij werd dwangarbeider in een werkkamp in Berlijn.
Postpakketten verwerken, maar 's avonds kon hij vrij in en uit.
Staf - jong en zich dus nog onsterfelijk wanend onder de bommenregens - bezocht er opera's en musicals, het circus bleef doordraaien.
Op een avond hield een figuur hem tegen: 'Als je teruggaat naar het kamp, ben je eraan'.
Ze wisten dat Staf sigaretten pikte uit de postpakketten voor de Waffen-SS.
Hij volgde de man en belandde in een huis achter de Reichstag, Wilhelmstrasse 119, bij ene Frau Mélisande - schuilnaam voor een verzetsleidster pur sang, zo bleek.
Hij kreeg alweer een bevel. 'Jij gaat voor ons werken!'
Moest hij voor de Britse geheime dienst gevangen Duitse wetenschappers het land uitsmokkelen.
In het grootste geheim maakten Staf en een kompaan een overwoekerde landingsbaan vrij in Ransdorf, van waaruit de SS-wetenschappers ongezien zouden worden ontzet.
"Onze job: onkruid langs de kant, lampen op de grond zetten, wachten op landen en opstijgen en dan snel alles weer in zijn oorspronkelijke staat herstellen.
" De eerste keer lukte.
De tweede keer niet. Staf vluchtte terug naar België, waar hij opnieuw in het verzet dook, maar nu vlak bij huis: de kelders van de basiliek van Koekelberg.
"Eerst een bom leggen in een café waar Duitsers kwamen.
Later blies ik een benzinestation op.
" Na de oorlog heeft hij 30 jaar lang gezwegen over zijn Berlijnse exploten.
"Op bevel van de Britten."
Toen schreef hij het boek 'Wilhelmstrasse 119'.
Hij wachtte tot aan zijn dood op de verfilming.

Dansje met Bondgirl
Kort na de oorlog trouwde Staf met Nel, die ruim 60 jaar de vrouw aan zijn haard was.
Ze kregen twee dochters en één kleindochter.
In '49 ging hij aan de slag als verslaggever cultuur en showbizz van deze krant, en dat 23 jaar lang.
'Le journal est un monsieur' heette het toen, sterjournalisten waren grote meneren.
Staf smolt van de arbeidsvreugde. Volgde elk concert en elke toneelvoorstelling.
Hij reisde naar Parijs, Cannes, Monaco, New York.
Deed zijn smoking alleen uit om te gaan slapen. En veel sliep hij niet.
Er waren altijd gala's en feesten, hij interviewde aan één stuk grootheden, van Sinatra tot Fernandel. Hij at kaviaar in Parijs na diens optreden in L'Olympia met Charles Aznavour, die voor leuk tafelgezelschap zorgde.
Ontmoette hij ook: "Raquel Welch, de Amerikaanse actrice, de vrouw met de duizend geweren, de seksbom van dat ogenblik én Ursula Andress, de nooit vergeten Bondgirl die dit keer niet in bikini uit de oceaan verrees maar aan mijn andere zijde zat. En later kon er nog een dansje af."

De rokken van Marilyn
Hij vierde feestjes met Gilbert Bécaud, Monsieur 10.000 volt, die hield van whisky, sigaretten, vrouwen én Brigitte Bardot.
Staf was erbij, toen die twee een zogenaamd toevallige maar innige ontmoeting hadden op een trein waarmee ze Wallonië doorkruisten.
Hij schreef een filmscenario voor Yves Montand en werd zo ook zijn vriend.
In een sterrenrestaurant aan de Azurenkust met diens echtgenote, de straffe Simone Signoret, ging het over die keer dat Montand in Hollywood een film had opgenomen en de rokken had opgetild van zijn tegenspeelster Marilyn Monroe.
"Waarom?", wilde echtgenote Signoret weten.
"Waarom niet, als de mooiste vrouw ter wereld je voorstelt om met haar het bed te delen?", aarzelde Montand slechts even te antwoorden.
"Je zou op zijn minst de grootste idioot ter wereld geweest zijn als je had geweigerd.
Nu ben je slechts haar zoveelste minnaar", repliceerde Signoret droog.
Reporter Staf noteerde in zijn mentale notablokje, en zeventig jaar later in zijn memoires.

Dat filmscenario?
Montand was er dol op.
Maar toen stierf de producer en niet veel later Montand zelf.
"Ik verloor een goede vriend, een pak geld en de moed om me ooit nog aan een filmavontuur te wagen."

Decadentie en petanque
Sommige van Knops toneelstukken werden opgevoerd in tot in Amsterdam, Parijs, Rome, Napels, Palermo en Sydney, met tv-scripts rijfde hij prijzen binnen.
Hij was medestichter van 'Het Kamertoneel', waar Hugo Claus zijn eerste toneelstuk regisseerde onder supervisie van Herman Teirlinck.
Eén stuk, dat hij op haar aandringen had geschreven voor de legendarische Ann Petersen, 'Naakt voor de Spiegel', werd haar laatste stuk.
Dit najaar wordt het hernomen, door Sien Eggers.
Hij presenteerde tv- en radioprogramma's over toneel en filmmuziek en in de jaren 60 was hij steevast jurylid van Canzonissima, de voorloper van Eurosong.

En toen, omdat zijn telefoonboekje zo dik en indrukwekkend was geworden, werd Staf gevraagd door de invloedrijke Knokse familie Nellens, eigenaars van het casino, om er artistiek directeur te worden.
Dat was hij, van '72 tot '86.
De affiches waren legendarisch, de uitspattingen met de wereldsterren in het aanpalende Hotel La Réserve insgelijks.
Knop had luxe en decadentie te bieden, tijdens de gouden jaren van de mondaine badstad op kosten van de Nellens en met hun verzamelde invloed en contacten haalden ze supergrote namen binnen. Frank Sinatra, Marlène Dietrich, Edith Piaf, Gilbert Bécaud.
Staf was goed bevriend met Jacques Brel, met wie hij en enkele andere copains vaak petanque speelde in de tuin van La Réserve.
"Partijtjes die niet altijd verliepen als de ochtendmis."
Toen de vijver in de tuin ooit werd gedregd, was een kleine camion nodig om de petanqueballen op de bodem af te voeren.
Hij troostte de ontroostbare Dalida, die kort voor haar wanhoopsdaad een laatste keer in Knokke kwam.
"Magerder dan ooit, haar ogen lagen diep in haar kassen.
Maar toen ze op de bühne verscheen, was ze wonder boven wonder weer de allermooiste."

De beatniks in de jaren 50, de hippies in de jaren 60, de "baardmansen die zich slobberig gekleed in het openbaar begeven".
Staf - immer pico bello - begreep dat niet.
De wereld stond niet stil tijdens het uitrollen van zijn levenslijn.
"Wetenschappers overtroffen zichzelf met de tv, de computer, de gsm, het internet...
Maar de muziek, die eeuwenlang de zeden had verzacht, werd agressief."
Het sprookje eindigde.
Na zijn casinojaren bleef Staf in Knokke, werd er officieus ereburger met al zijn verhalen en al zijn gewezen roem.
Maar van roem en geld blijft meestal weinig over.
Oppervlakkigheid, vooral. En de paar echte vrienden gingen ook dood.

Is daar iemand?
Staf schreef zijn twintig boeken in de laatste tien jaar van zijn leven en vroeg zich af waarom niemand ze kocht of las, buiten in Knokke, waar de bevriende uitbater van de Standaard Boekhandel ze als enige in de rekken had liggen, al werden ze ook besteld door zijn volgers in het binnenland.
"Wie zit te wachten op de memoires van een oude man?", zei hij, wanneer de regionale journalist hem toch getrouw weer kwam interviewen bij een nieuw boek.
"Zijn laatste", zei hij. Een paar boeken na elkaar.

Blijven schrijven was blijven ademen.
Maar toch. Moest een mens zo oud geworden zijn om te worden vergeten?
Hij leefde op als zijn dochter uit de VS er was.
Maar ook met haar besprak hij die nijdige gedachte: wat was de zin van het leven, als niemand je nog kent?
'Is daar iemand?' heette zijn laatste boek, nog gedrukt een week voor hij stierf.
Waarmee hij bedoelde: Is daar nog iemand die mij gekend heeft?
Iemand die mij nog hoort?

En toch. Hij zou honderd worden, dat was het plan.
Om te blijven vertellen. Hij haalde het niet.
Stierf na domme val in zijn appartement.
'De George Clooney van Knokke', zo roemde Kurt van Eeghem hem op zijn begrafenis.
Bekend volk genoeg. Cas Goossens speechte, Johan Verminnen zong een liedje, Stijn Coninx zag Knop-scenario's voor ogen, Mimi Smith hoorde een golden fiftiesdeun.
De glorie was misschien vervlogen, maar niet vergeten.

Bron HLN 2018 Terug naar boven