Knokke ontstond waarschijnlijk in de 13e eeuw na inpolderingen. Visserij was vroeger de belangrijkste bron van inkomsten in Knokke.
Aan het einde van de 19e eeuw kwam het toerisme op onder aanvoering van de families Lippens en Van Bunnen.

De bevolking groeide daardoor aanzienlijk. Aanvankelijk omvatte de dorpskom van Knokke, evenals die van de meeste parochies van het Noorden, een gering aantal woningen rond de kerk.Vanaf het midden van de 17de eeuw vestigden zich talrijke personen in de duinpannen ten noorden van het Kalf, een landelijke herberg die al in 1637 vermeld wordt.
De oudst bekende molen werkte in de wijk het (rode) Kalf.
Ca. 1700 telde de wijk rond de kerk ca. 15 woningen; deze stonden in de noordwesthoek van de Papenpolder en aan de noordzijde van de Duinenweg (De Judestraat), en in de uiterste zuidwesthoek van het waterschap dat de Zoute Polder heette.
De westzijde van de genoemde watering grensde aan de duinen, die later aan Serweytens behoorden.
De zuidgrens bestond uit de Duinenweg; de zuidoostzijde uit de wegel die door het golfterrein naar het Paulusfort loopt (Caddyspad).
Aan de oostzijde lag de Zandplaat (Zwinbosjes) en aan de noordzijde de zeeoever.
Hoewel het boven omschreven gewest, volgens de oorkonde van 1426 aan de eigenaars van het Hazegras toekwam, had de Staat de bedoelde gronden allang ingepalmd.
Het was de gewoonte dat de hoofdman van Knokke deze gronden globaal in pacht nam ten behoeve van de dorpsbewoners, die elk een paar koeien in de pannen lieten grazen, daar waren drinkputten aangelegd voor het vee.

In 1774 hield landmeter Gilliodts een “Beganckenisse”, d. i. een beschrijving van de bevolking van de gehele parochie Knokke. Hij verdeelde het grondgebied in 5 wijken:
1. De duinen en de schorren ten oosten van de zeeweg, d. i. het (kronkelend pad dat van de Dorspsstraat uit door de duinen naar de zee liep, 37 gezinnen.
2. De duinen ten westen van de zeeweg, 20 gezinnen.
3. De dorpskom ten zuiden van de Duinenweg, 20 gezinnen.
4 en 5. besloegen de eigenlijke polders: 18 gezinnen.

Blijkens het rapport van Gilliodts groeide de bevolking vooral aan in de Magere Schorre, de Kalfduinen en de omgeving van het Paulusfort.
In 1774 had Knokke ca. 150 inwoners. In 1787 liet de staat het ingenomen deel van de Zoute Polder weer over aan de eigenaars.
Toen bestonden daar 22 percelen, die al geruime tijd aan enkele personen vercijnsd waren, er stonden ca.12 huizen op de duinen aan de noordzijde van de kerk en de Duinenweg.Die woningen vormden een noordwaartse uitbreiding van de dorpskom.
Door de bedoelde wijk liepen wegels, waaruit later de Pierslaan en de Pepersstraat voortkwamen.
De belangrijkste wegel was de vermelde zeeweg; deze was ca. 3 m breed en diende als verkeersweg voor de Knokkenaars, die hun gerief naar de zeeoever voerden om de strandvisserij te beoefenen.
In de 18de eeuw vestigden zich meer neringdoenden en ambachtslieden in de dorpskom en de omgeving.
Ca. 1800 telde Knokke:

  • 4 herbergen
  • 2 molenaars (Kalfmolen en Kleine molen)
  • 1 smid
  • 1 wagenmaker
  • 1 timmerman
  • 2 metsers
  • 2 kleermakers
  • 2 schoenmakers
  • 1 winkelier.

De gemeenteraad vergaderde in de Zwaan.
De telling van 1814 geeft 810 inwoners aan. - 31 personen stonden geboekt als landbouwer in de eigenlijke polders of op de zandige grond van het Zoute en de Oosthoek - 189 als werkman of werkster - 3 als schaper
Ca. 1845 stonden ca. 30 huizen rond de kerk, ca. 10 langs de Dejudestraat, ca. 15 rond de Kalfmolen, ca. 15 in de Kalfduinen, ca. 25 in de eigenlijke Zoute Polder en de omgeving.
Daar de meeste Knokkenaars rond de Kalfmolen en in de Oosthoek woonden, kozen de raadsleden de herberg het Kalf als gemeentehuis.
In het midden van de 19de eeuw begon de staat belangstelling te tonen voor de zeeoever ten noorden van de kerk.
In de Noordwesthoek van de duinen van de Zoute Polder, ca. 100 m ten oosten van de grens met Serweytens, bouwde men in 1840 een reddingsstation. Die post bevond zich bij het Noordeinde van de Zeeweg.
De watering Zoute Polder verkocht aan de staat het stuk duin waarop het station gebouwd was. Dit perceeltje bleek het eerste te zijn dat uit de Zoute Polder verkocht werd. In 1854 deed de staat de telegraaflijn van Brugge tot de zeeoever doortrekken.
Men bouwde een telegraafkantoor ca. 100 m ten oosten van het reddingsstation.
In 1856 verkocht de Zoute Polder het terrein rond het telegraafkantoor en de Zeeweg, samen 3.02.25 ha, tegen 1.511, 25 (oude BEF) , d. i. 0,50 (oude BEF) per m².
Naast het telegraafkantoor bouwde de staat in 1871 de Vuurtoren.
Men legde een kasseiweg (de latere Lippenslaan), die de Vuurtoren met de dorpskom verbond.
De Zoute Polder stond in 1883 het terrein van die weg dat 15 m breed was, af aan de staat, en kreeg in ruil de vermelde Zeeweg.
De naam Zeeweg ging op de steenweg over, de oude karreweg werd door het duinenzand overstoven.
Ondertussen kreeg de dorpskom meer omvang.
Ca. 1860 bouwde Karel Lievens zijn molen bij de kerk.
Ca. 1870 vergaderde het gemeentebestuur weer in de Zwaan.
Omstreeks die tijd begonnen toeristen de duinen en het strand van Knokke te bezoeken.
In de buurt van de Vuurtoren bouwde men de eerste houten paviljoenen. Van Bunnen, Dumortier en Verwee zagen dat een nieuwe badstad zou ontluiken.In 1887 kochten ze een groter stuk uit de duinen van de Zoute Polder, nl. tussen de Zeeweg, de zee en de reeds geplande Zoutelaan, ze verwierven 34.05.58 ha tegen 0,10 (oude BEF) per m².
Het waterschap verkocht ook kleinere percelen op de westzijde van de Zeeweg.
In 1895 stonden ca. 20 woningen langs de Zeeweg, en waren de Leopold-, de Kust- en de Dumortierlaan al aangelegd.

Tussen Heist en Knokke strekte zich een lang en breed duinenlandschap uit dat aan de Domeinen behoorde.
Dit gewest was gedeeltelijk begroeid. Het werd verpacht als grasland en heette het Pastuur (grasland).
In 1820 verkocht de Staat het Pastuur aan particulieren.
In 1855 slaagde Charles Serweytens de Merckx uit St.-Pieters-op-de-Dijk erin om het gehele Pastuur te kopen. De westgrens bestond uit een lijn die vertrok uit de herberg Oosthinder op de hoek van de huidige Garnaalstraat te Heist, de oostgrens lag ca. 100 m ten westen van de huidige Lippenslaan, het Pastuur bezat ook waarde als jachtterrein.
De kleine bouwvallige kerk van Heist kon de toeristen en de arbeiders van de zeewerken niet meer bevatten.
Daar Heist ca. 1860 op weg bleek te zijn om de derde badstad van het land te worden, ijverde de pastoor om een groter kerkgebouw te verkrijgen .
In 1868 werd van Blankenberge uit de spoorweg op de Graaf Jansdijk naar Heist aangelegd.
Men bouwde het eerste station even ten noordoosten van het Oostdorp op de duinen van Serweytens.
Het station werd op 12 juli 1868 ingehuldigd.
Daarna rezen nog meer toeristenverblijven op langs de zeeoever en in de dorpskom.

In 1868 verkreeg Heist een vergunning om het strand als badplaats uit te baten, de vergunning strekte van de toenmalige grens Lissewege-Heist tot vóór de dorpskom.
Daar de postbedeling van Blankenberge vertraging onderging, vroeg Heist een eigen postkantoor, tegelijk trachtte de gemeente ernaar om verbonden te zijn met de wijk het Sas.
Daar stonden al enkele hotels en villa’s.

Het sas werd wel in 1869 door middel van een steenweg verbonden met zijn eigen gemeente: Lissewege.
De aangroei van de bevolking en de handel verplichtte de gemeenten om ruimere schoollokalen in te richten en om meer aandacht te besteden aan het onderwijs van de meisjes.
Westkapelle bezat al in 1828 een eigen school. In 1860 openden zusters een meisjesschool.
Ramskapelle richtte in 1825 een gemeenteschool in.
In 1897 openden zusters een meisjesschool.
Heist bouwde in 1851 een gemeenteschool. De meisjesschool werd gesticht in 1866.
Veel gemeenten richtten een school voor volwassenen in. Meestal waren de oudste schoolgebouwen niet ruim genoeg en onvoldoende uitgerust.
Ca. 1870-1880 bouwden verscheidene gemeenten een groter schoollokaal.
De schoolwet die in 1879 door de liberale meerderheid gestemd was, veroorzaakte een grote beroering in het onderwijs (schoolstrijd), omdat het godsdienstonderricht niet langer een verplicht leervak vormde.
In alle gemeenten nam de geestelijkheid maatregelen om vrije, d. i. eigen scholen voor jongens en meisjes te stichten. Ze stelde zelf mannelijke en vrouwelijke leerkrachten aan.
Die toestand veroorzaakte wedijver tussen de twee onderwijsnetten en tweedracht onder de bevolking.
De schoolwet werd in 1884 door de katholieke meerderheid gewijzigd.

Onder het beleid van burgemeester Nikolaas Mengé werd de badplaats verder uitgebouwd, aanvankelijk schoof de bebouwing naar het Sas toe vooruit, maar de verkaveling vorderde ook oostwaarts, zodra de familie Serweyter is in 1873 een stuk duinengrond, in de omgeving van de O.-L.-Vrouwkapel, verkocht aan de “Compagnie Immobilière de Heyst”.
Door die grond trok men de O.-L.-Vrouw-, de Prins Albert-, de Prins Boudewijnstraat en de Ursellaan.
In die wijk verrezen talrijke villa's en hotels, o.m. het Hotel des Bains.

In de eigenlijke dorpskom aan de zuidzijde van de spoorweg werden veel oude huizen omgebouwd tot hotels, herbergen en winkels. In 1878 stichtte men te Heist de schuttersvereniging Duinengalm.
In 1882 legde de gemeente een marktplein aan.
In 1887 werd het eerste carnavalsfeest vermeld, van dan af zette burgemeester Leopold Desutter zich in om Heist verder tot een badstad uit te bouwen.
Hij deed de verkavelingen vorderen in de volgende wijken: rond de kerk, aan de westkant van de badstad, ten zuiden van de Kerkstraat, ten oosten van de Kursaalstraat.
Het Schuldhof (vroeger Schuttershof) dat een krottenwijk vormde, werd in 1889 verkaveld.
In 1889 bouwde de gemeente een slachthuis en wegens het toenemend aantal vreemdelingen werd in 1887 een politiecommissariaat ingericht.
Dank zij de steun van de regering en de goede werking van de pensioenkas, geraakte de Heistse visserij er boven op.
Op het strand lagen een groot aantal schuiten met een platte bodem, deze werden te Heist getimmerd.
Daar de bewoners van het Westdorp meer en meer hun huizen tot toeristenverblijven omvormden, waren de vissers verplicht om te gaan wonen in de nieuwe verkavelingen ten oosten van de Kursaalstraat.
In die wijk vestigde men de verwerking en de verhandeling van de visvangst.
In 1902 maakte de staat plannen om de stenen dijk oostwaarts door te trekken.
De gemeente vroeg om voor de 60 Heistse sloepen een schuilhaven (tussen Heist en Duinbergen) aan te leggen. Dit plan verviel omdat men te Zeebrugge een vissershaven bouwde.
Ook te Heist woedde de schoolstrijd van 1879-1884. Daaruit kwam uiteraard een dubbel onderwijsnet voort: gemeentelijke en vrije scholen. In de volgende jaren groeide het aantal leerlingen zienderogen, de gemeente kocht een perceel in de Pannenstraat en bouwde daar in 1899 een nieuwe en grotere school.
De zusters kochten de oude gemeenteschool in de Kursaalstraat, en breidden vervolgens hun meisjesschool uit.
In 1902 vestigden Broeders Xaverianen een jongensschool in de Kerkstraat.
In 1894 werd de steenweg naar de herberg België aangelegd, en in 1893 naar Westkapelle doorgetrokken.
In 1879 huldigde men het Stadhuis in.
Vanaf 1898 werden de straten van Heist niet langer met petroleum, maar met elektriciteit verlicht.
Net voor de aanvang van de 20ste eeuw slaagde Heist erin om een groots saneringsplan uit te voeren:
- in 1899 de riolering van de meeste straten
- in 1902 werden het sas en de Hoge Duinen bij Heist gevoegd.
Ondertussen merkten de Heistenaars al enige tijd dat hun westelijk strand aan ontzanding leed.
Heist groeide uit van vissersdorp tot badplaats. De oorspronkelijke naam is Coudekercke.
Het toerisme kwam begin 20ste eeuw op gang. Dit had onder meer tot gevolg dat na de Tweede Wereldoorlog grote infrastructuurwerken werden verricht.
Zo werd bijvoorbeeld de spoorlijn naar het zuiden verlegd (van het huidige Heldenplein tot op het einde van de Bondgenotenlaan).
Het nieuwe station werd in 1951 in gebruik genomen. Dit alles heeft het uitzicht van de badplaats grondig veranderd.
Zo rest op de zeedijk bijvoorbeeld praktisch geen enkel gebouw meer uit de begindagen van de badplaats.
(Eén van de laatste overblijvende gebouwen, het zogenaamde Hotel Bristol, uit 1927, werd in 2006 gesloopt)
Heist was tot 1971 een zelfstandige gemeente. Heist werd opgenomen in de nieuwe fusiegemeente Knokke-Heist. Heist telt bijna 13000 inwoners.

Duinbergen is een deel van de gemeente Knokke-Heist in West-Vlaanderen en een van de bekendste badplaatsen van België.
Anders dan Knokke wordt Duinbergen gekenmerkt door vele karakteristieke villa's en weinig winkels.
Voor 1900 was het gebied tussen Heist en Knokke onbebouwd.
Rond 1900 werden plannen gemaakt om dit gebied een toeristische functie te geven.

De Duitse urbanist en architect Hermann-Josef Stübben kreeg de opdracht om de concessie Duinbergen vorm te geven.Hiervoor werden later ook twee organisaties opgericht: de Société de Duinbergen in 1901 en de maatschappij Knocke-Duinbergen-Extensions (1911).
Duinbergen groeide zeer snel na de start van deze plannen.
In 1901 werd het Hotel de Chalet geopend, en in 1903 opende Hotel Pauwels haar deuren.
Daarnaast werden ook veel villa's gebouwd, in 1908 stonden er reeds een tachtigtal. Dit was mede het gevolg van de aanleg van noodzakelijke nutsvoorzieningen zoals waterleiding en riolering.
In 1908 waren er reeds 6816 zeebaden.
Duinbergen heeft de dag van vandaag veel van haar charme weten te bewaren. Toch heeft ook Duinbergen te lijden onder de ontwikkeling van het toerisme en de daar bijhorende bouw van appartementsgebouwen.
Vooral langs de Zeedijk rest weinig of niets meer van het oorspronkelijke Duinbergen.
Het ontstaan van Duinbergen.
Het bezit van de duinen langs de zee was weinig lonend voor de erfgenamen van Charles Serweytens, enkel de opbrengst van enkele magere weiden en van de jacht.
Daarom lieten zijn weduwe een zeedijk bouwen en een spoorwegstation om zo toeristen aan te trekken naar de nieuwe badplaats Heist.
Leopold Wilmart, de directeur van de spoorwegmaatschappij Brugge-Blankenberge , zal haar daarbij helpen.
In 1867 tekent zij daarvoor een akte .
In 1869 wordt een eerste villa in haar duinen te Heist gepland, maar ... door de Frans - Duitse oorlog van 1870 blijft het bij het de graafwerken.
In 1888 zal de dierenschilder Alfred Verwee de eerste villa te Knokke bouwen.
Daar werd reeds in 1856 een telegraafpost opgericht om de mogelijkheid te hebben de regering te verwittigen, wanneer een vijandelijke vloot de schelde zou binnenvaren.
Ondertussen waren er heel wat rechtsgeschillen met de staat nopens de Hazegraspolders, en ook tussen de staat en mevrouw Serweytens.
De staat werd veroordeeld op 11 juli 1887 tot vergoeding van 14 jaar onrechtmatig bezitting van twee gebouwen (het douanehuisje en de vuurtoren van Heist) op haar terrein.
De kleinzoon langs moederszijde van Charles Serweytens , Donat Van Caillie, was advocaatnotaris te Brugge en zou de grote stoot geven tot het ontstaan van Duinbergen.
Reeds in 1893 liet hij in de duinen een houten keet timmeren waar de vele wandelaars , mensen op een ezeltje, en zonnekloppers een verfrissende drank of een belegde boterham of snoep konden kopen.
Reeds had hij een naam voor het gebouwtje uitgebracht : het zou 'Zeebergen' noemen. Die naam was mooi en passend vlak bij de zee en de hoge duinen op die plaats.
Maar omdat Zeebrugge vlakbij was en er zo heel wat verwarring zou ontstaan, liet hij de naam "Duinbergen" schilderen op het houten barakje.
Zo'n broze kreet trotseerde de vele winterstormen niet en verdween na enkele jaren, maar...de naam "Duinbergen" bleef.'Les Chardons ' de eerste villa van Duinbergen werd in 1900 gebouwd.
De Société de Duinbergen werd op 1 februari 1901 te Brugge opgericht.
De beroemde Duitse Architect en Urbanist Stübben had de plannen gemaakt voor de nieuwe badplaats .
In dat jaar werd de "laiterie" (later: Hotel du Chalet) geopend.
De 'Société de Knocke-Duinbergen-Extencions' in 1911 opgericht bezorgde hen nog drie hectaren grond oostwaarts gelegen.
Met de staat werd een gelukkig overeenkomst gesloten voor 20 jaar: gedurende twintig jaar mag niet gebouwd worden op 300 meter afstand van de zee.
Reeds op 25 augustus 1902 wordt de badplaats door de gouverneur, graaf Charles d'Ursel, ingehuldigd van Duinbergen werd een prachtig feest.
De gouverneur kwam naar Heist, waar hij op het stadhuis werd ontvangen.
Met de burgemeester,schepenen en ander voornaam gezelschap trok hij op naar de "Laiterie" ; en het station, waar een groots feestmaal plaats greep. Daarvan getuigt nog het fijne menu (soep , zes gangen, fruit en gebak), dat in Jugendstil werd getekend en bij De Haene te Brugge gedrukt.In 1904 besluiten de spoorwegen hun lijn van Heist naar Knokke door te trekken.
Wanneer alles in orde schijnt te zijn, komen nieuwe moeilijkheden: Knokkedorp voelt zijn handelscentrum bedreigd en men richt een verdedigingscomité op .
Er komt een veto na een geanimeerde meeting in het oude gasthof De zwaan (Le Cygne, nu de Cnoc) op 24 februari 1907 en ... de uitbouw van Duinbergen blijft op zich wachten tot 1920.Er kwam een compromis tussen de familie Serweytens en de Société de Duinbergen en op 9 januari 1911 wordt een nieuwe maatschappij "Knokke-Duinbergen-extencions opgericht.
Zij leggen een steenweg aan van de St-Margaretha-kerk schuin naar de zee, de Parmentierlaan genoemd naar een persoonlijke personaliteit .
Op het verkaveling plan droeg die straat de naam van Serweytens de Mercx.
Bij het uitbreken van de oorlog in augustus 1914 was de dijk bijna klaar. Het Duitse leger stelt er zware batterij 'Kaiser Wilhelm' op ter bescherming van de Zeebrugge. Die batterij wordt na de eerste Wereldoorlog vernietigd en vervangen door het zegemeer .
Bij het einde van de oorlog op 11 november 1918 was de Belgische kust in een beklagenswaardige toestand, en zelf nog in de winter van 1921-1922 begeeft de zeedijk op twee plaatsen,daar er nog geen golfbrekers waren.Een groep Antwerpenaars met de heer Joseph Nellens beginnen op 6 april 1922 met de financiering van Albertstrand.
Nu begint de bouw van de vele 'Cottages' volgens de urbanisatierichtlijnen van de eigenaars.

Stübben de bekende Duitse urbanist uit Keulen en persoonlijke raadgever van de koning Leopold II , had op 18 mei 1900 een plan opgemaakt voor Duinbergen.
Hij zou ook het Zoute plannen op aanvraag van Lippens.
Op het grondgebied van Duinbergen creëerde hij drie groeipolen.
Vanuit die centra van aaneengesloten bebouwingen zou Duinbergen groeien. (het station met plein - de zeedijk - de huizen rond de kapel.
Verder zouden afzonderlijke villa's worden gebouwd.
Vier elementen werkte hij uit:
1. Het bewaren van de duinen.
2. Zoveel mogelijk geen rechte straten. Aandacht voor de ruimten in de stad. Belangstelling voor het historische gebouwenpatrimonium.
3. Voor de meeste op te richten villa's een zicht op zee.
4. Verkavelingen in de duinen van geïsoleerde gebouwen met tuin om zo de banale agglomeraties van huizen te vermijden en Duinbergen uit te bouwen tot een tuinbadplaats.
Dat plan heeft hij op een meesterlijke wijze verwezenlijkt. Toch deed hij één toegeving:op de dijk zelf liet hij de villa's op een lijn bouwen; maar ook daar brak hij de monotonie van de rechte lijn door aan de dijk een boogvorm te geven (nog sterker dan op zijn plan werd aangeduid).
Het werd ook een dubbele lijn villa's, met voorgevel naar de zee en de voorgevel naar de duinen, bijna noodzakelijk om de felle zeewind tegen te houden , en zo de geïsoleerde villa's en hun tuinen te beveiligen.
Ook zorgde de Sociëteit van Duinbergen voor de details: het eigen karakter van banken en badkarren,enz. en vooral het karakter van alle gebouwen.
Iedere gevel moest voorgelegd en goedgekeurd (hoogte, esthetica, tuin, enz. Duinbergen groeide vlug, reeds drie jaar later waren er 30 villa's en in 1905-1908 kwamen er nog maar...50 bij.
De naamloze vereniging van Duinbergen werd in december 1963 definitief geliquideerd door de heer Jacques Van Caillie.

In de volksmond noemt iedereen het gebouw gelegen in de Zoutelaan 77, het Engels kerkje.
De officiële naam is echter de Saint George's Anglican Church.
Het gebouw dateert uit 1911.

Het kerkje met neogotische inslag is door de Knokse aannemer C. Deckers gebouwd naar een ontwerp van architect Dugardyn.
Het gebouw kreeg het bijzonder hard te verduren tijdens de twee wereldoorlogen.
In de eerste wereldoorlog, gebruikten de Duitse soldaten het als paardenstal.
Zelfs nadien werd het voort gebruikt als stalling.
In 1926 werd er een galerij bijgebouwd, samen met het typisch gekanteld torentje.
In 1928 werd het dan volledig in gebruik genomen als kerk na het optrekken van een altaar en dienstzaal. De glasramen die de kerk rijk is werden betaald met Engelse geldinzamelingen.
Tijdens de tweede wereldoorlog liep het gebouw zware schade op door een bombardement.
In 1953 opende de kerk terug na grondige herstellingen.

Met speciale dank aan:

  • Maurits Coornaert (Bessemstraat 70. 8790 Waregem)
  • Jozef G.M Van Den Heuvel