Geschiedenis Lippensclan

Hartelijk dank aan Cnocke is hier en met name aan zijn voorzitter Danny Lannoy,

Speciaal ook dank aan de auteur Paul. B. Mattelaer
zoon van wijlen E. Mattelaer ereburgemeester van Knokke-Heist

De 14 de eeuw

Met de Brugse Metten (feb.1302) kwam het tot een zware botsing.
Daarop stuurde Philips de Schone een zwaar gewapende cavalerie naar Kortrijk. 
Dampierre en het Vlaamse leger versloegen de Fransen bij de Guldensporenslag bij Kortrijk (juni 1302). 

De milities uit Het Vrije, waaronder de Eeklose Rooirokken, waarvan sommigen mogelijk in dienst van de Lippins, stonden onder Brugs bevel. 
De Franse koning verloor het zo begeerde leenmanschap van het Graafschap. Maar tijdens het bewind van de anti-Fransgezinde Graven Dampierre (1278 tot 1305) en zoon Robrecht van Béthune (1305-1322), bleef Vlaanderen in staat van oorlog tegen Frankrijk. 
In 1305 was Boudin Lippin, fs Clayes, schepen van Eeklo, getuige van al die troebelen. 
In 1322 werd de Fransgezinde Lodewijk II van Nevers (1309-1346) Graaf van Vlaanderen. 
De grote steden zoals Brugge ontnamen aan de Vrijlaten de toelating wol te weven, de belangrijkste bron van hun welvaart. 
De overstroming van 1318 was een bijkomende ramp. Na de bloedige opstand van de Vrijlaten onder leiding van de 'Bruggeling' Klaas Zannekin (° Lampernisse U 1328) tegen deze beslissing, trok de graaf die beslissing terug, tot grote blijdschap van de Magistraat, waarvan de Lippins deel uitmaakten. 
Immers, in 1325 werd Boudin Boidinzone Lippins, waarschijnlijk dezelfde persoon als de schepen van 1309, opnieuw schepen van Eeklo, opgevolgd op 1 februari 1327 door Jan filius Boidins Lippins, hoogst waarschijnlijk zijn broer. 

Philips de Stoute (1384-1404)

Het Bourgondisch tijdperk (1384-15O6).
De eerste gedocumenteerde voorvaderen.

Philips de Stoute, (°1342 †1404), Fransgezind, erfde in 1384 door zijn huwelijk met Margaretha van Male, dochter van Lodewijk van Male het Graafschap Vlaanderen, Artesie, Franche-Comté en Henegouwen. 
In de periode 1379-1437 heerste er opnieuw een constante vete tussen Gent en Brugge met herhaalde verwoestingen van Eeklo. 
Zijn zoon, de toekomstige Hertog Jan ondernam met ondermeer Vlaamse troepen en Eeklose Rooirokken een mislukte kruistocht tegen de Turken maar gedroeg zich heldhaftig, zonder Vrees

Philips de Goede (1419-1467)

Philips de Goede, (°1396 + 1467) was hertog van Bourgondië en Franche-Comté, États de pardeça, of landen van herwaerts en landsheer van Vlaanderen, Brabant, Namen , Limburg, Holland en Zeeland, Etats de par-dela of landen van derwaerts. Hij legde de basis van de natievorming in de Nederlanden. 
Omdat de Koning zijn vader had vermoord, moest hij voortaan geen leenhulde brengen aan de Franse kroon en werd hij Prins van zijn vorstendom. 
In 1439 tekenden de Hertog en de Engelsen een handelsverdrag over het vrij verkeer van goederen tussen hun landen. 

Door een huwelijkspolitiek waren de betrekkingen met de Duitse staten goed. 
Die gunstige internationale politiek werd de basis voor de welvaart in zijn rijk. 
De productie van lakens van grote kwaliteit, geweven met Engelse wol, kende een grote bloei rond 1422. Eeklo exporteerde wollen lakens naar Duitsland en verder naar Centraal- en Oost- Europa. Daarna verminderde de export geleidelijk, maar met een positieve piek in 1465 na de nieuwe Gentse oorlogen. 
Gent, weer eens in opstand, werd verslagen bij de Slag van Moerbeke (1452) en van Gavere (1453), waardoor de Fiere Stad vele privilegiën verloor. 
Eeklo, eerder Gentsgezind, had veel te lijden van plundertochten van de Picardiers onder leiding van Jacques de Lalaing, gunsteling van de Hertog. 
Menig Eeklonaar nam de vlucht vooral naar Damme. Op het einde van het jaar kwam de Burgemeester terug en eiste de terugkeer van alle keurbroeders. 
Zij die niet terugkwamen moesten een recht van Issuwe betalen, zijnde een belasting op onroerend goed wanneer een Keurbroeder de Stad verliet. 

Onder de achterblijvers zoals de familie Luppins, waaronder Jan I Luppins (1), verkozen in Damme te blijven. Volgens een notule in de Stadsrekening van Eeklo van 1451-52, betaalde hij een belasting op zijn onroerende bezittingen van ongeveer 10 % als yssuwe voor vervremde. Gezien de som maar drie Parijse ponden waren, was hij blijkbaar geen vermogend man wat onroerend goed betreft. 
Er heerste uiteraard een grote inflatie door de vele verwoestingen van boerderijen en landbouwgrond tijdens de vorige decennia. 

In 1457 bezocht de Hertog Eeklo en hij herstelde de Magistraat. In 1464 werden de Staten-Generaal voor het eerst samengeroepen in Brugge. Geleidelijk aan zouden alle gewesten van 'Der' deelnemen aan deze instelling, de politieke tegenspeler van de centralistische vorst. 
Met grootse feestelijkheden herbevestigde Philips de Goede de Keure van Eeklo in 1465. 
Het jaar daarop overleed de Hertog. In 1473 werden zijn overblijfselen van Brugge naar Dijon overgebracht. De lijkstoet, vergezeld van zoon Karel de Stoute, hield halt in Eeklo. Zo maakte de toekomstige Hertog Karel kennis met de Stad en met de keurbroeders. Vanaf die tijd steeg de welvaart van Eeklo ten gevolge van een bloeiende textielnijverheid, minder belast dan in de grote steden. 
De uitgeweken Keurbroeders keerden terug naar Eeklo. In enkele aantekeningen van de Eeklose stadsrekening van 1463-64 fungeerde Jan I Luppins (1) als bemiddelaar in de
verkoop van onroerend goed.

De jeugd van Meester Jacob II Lippins

Een maand na de dood van Karel de Stoute erkende de Staten-Generaal van de Nederlandse gewesten Maria als Gravin van Vlaanderen (°1457 + 1482) maar ze was gedwongen het Groot Privilegië te tekenen waardoor de oude privilegiën van Gent en Brugge werden hersteld en de spons geveegd over al de schulden en belastingen. De gezagsdragers regeerden voortaan in de taal van de streek: in Vlaanderen, Diets.  In de loop van de 15de en 16de  eeuw werd de woltextiel vervangen door lijnwaad.
De Koning van Frankrijk, altijd overtuigd dat het Graafschap Vlaanderen hem toebehoorde, nam opnieuw revanche. Hij veroverde het hertogdom Bourgogne, Picardië en Artesie met uitzondering van het Franche-Comté. 
In 1477 huwde Maria van Bourgogne in Gent de Habsburgse kroonprins, Maximiliaan van Oostenrijk, een stad groter dan Wenen. 
In 1478, het jaar van de geboorte van zoon Philips de Schone, bezocht de hertogin Eeklo en nogmaals in 1478, 1479 en 1480, jaar van de geboorte van Margaretha van Oostenrijk . 
Ieder bezoek ging gepaard met grote feestelijkheden. Opnieuw was er onenigheid betreffende de militaire belastingen die Eeklo moest betalen. 
De Burgemeester en enkele schepenen, waaronder Jan Lippins van Lembeke, een verre verwante van de Lippins van Eeklo, gingen naar Brugge om die lasten te bespreken, maar werden de gevangenis ingestuurd (1477). Uiteindelijk kwam de zaak van de militaire belastingen voor de Raad van Vlaanderen (1480): de opgesloten schepen werd vrij gelaten en de taks kwam toe aan het Vrije van Brugge. Daarna, in 1478, hetzelfde scenario in Gent.

De dure oorlog tegen Frankrijk ging dus door. In 1477 werd westelijk Vlaanderen aangevallen door de Franse Koning, maar in 1479 versloeg Maximiliaan de Franse legers. Het echtpaar werd gevierd in Brugge en Gent en eveneens bij een doortocht, in Eeklo. Maar door die vele militaire acties en dito belastingen in gans de Nederlanden en een strenge winter van 1480, heerste er in 1482 een grote armoede, jaar van het overlijden van Maria van Bourgondië te Wijnendale. 
De Staten-Generaal stelden Maximiliaan tot Regent en zoon Philips de Schone tot Erfprins aan. 
Bij een bezoek aan Eeklo werd de Regent in gezelschap van 17.000 man met vreugdevuren ontvangen. 
In 1486 werd Maximiliaan Roomse Koning van Duitsland, maar bleef Regent der Nederlanden. Na een mislukte strijd tegen de Franse Koningen, ontstond opnieuw een opstand in Gent. Ook Brugge keerde zich tegen hem omwille van de hoge militiebelastingen. 

In 1488 sloten de Bruggelingen Koning Maximiliaan op in de Cranenburg, gelegen op de markt, gedurende drie maanden. De Magistraat van Eeklo werd afgezet op vermoeden van Habsburgs gezindheid. De stad werd tijdens de opmars van het Duitse Leger geplunderd. 
De Eeklonaar Jan II Lippins had erg te lijden van de vernielingen. In Brugge kwam de rust terug nadat die stad Maximiliaan als Regent had erkend.

In een notule van 7 januari 1490 van de Brugse Poortersboeken werd hij buitenpoorter om in Brugge een Neringhe te starten : Jan fs Jacobs gheborene van eeckelo ghecocht zyns poorterscip, enz. 
Omdat hij Eeklo had verlaten, was hij aan Eeklo een belasting van Issuwe voor vervremde verschuldigd.

Maximiliaan, net als Karel de Stoute, was altijd paraat om oorlog te voeren tegen de onwillige Vlaamse steden. In 1492 viel het bolwerk Sluis en door de Vrede van Cadsant (1492) was de centralistische Regent volledig de baas over het Graafschap Vlaanderen, waardoor die tal van privilegiën verloor. In hetzelfde jaar brak de Pest uit in Vlaanderen en rondtrekkende legerbenden vernielden de oogsten. Wolven daagden weer op. 
In 1493 werd Maximiliaan, reeds Koning van Duitsland, Keizer Van het Habsburgse Oostenrijk.

Jan II Lippins was afwisselend in Brugge en in Eeklo. In 1479 was hij deken van de handbooggilde van Eeklo, opgevolgd door zijn vader Jacob I Lippins, in 1481. 
Als geslaagde Brugse zakenman was hij welstellend keurbroeder want zijn zoon moest aanzienlijke erfrentes betalen. 

Zoon Jacob II Lippins (4), de vierde voorouder, (° ca 1474 †1534) kreeg een gepaste opvoeding. Hij moest jurist worden. In de meeste archiefstukken werd Jacob II vermeld met de aanspreektitel Mer, afkorting van Meester , titel van een jurist. Na school gevolgd te hebben in een Latijnse school, waarschijnlijk niet in Eeklo, maar in Brugge, vermoedelijk in de school van St-Donaas, ging hij ca. 1491 rechten studeren aan de universiteit van Leuven, de enige universiteit van de Bourgondische gewesten. 
Na een inschrijving in het Officieel Register, waarbij hij een matricule-nummer werd toegewezen, volgde hij college in het Collegium des bachalauréats, gehuisvest in het Collège Saint Yves, voorbehouden aan studenten in de rechten. 
Zoals de meeste studenten uit het Vrije was hij gehuisvest als escolier onder de hoede van een suppôt in de pedagogie De Lelie, Lilium
Het collegegeld hing af van de stand van de vader. Men verkreeg de licentie in de rechten na drie jaar. Terug uit Leuven huwde de jonge jurist in Eeklo Katheline Stommelins, dochter van Keurbroeder Jehan Stommelins, zoon van Joos. Zijn schoonvader verliet Eeklo in 1500. 
Hun genealogie gaat terug tot eind 14de eeuw en de familie is waarschijnlijk afkomstig van Sconedycke (Schoondijke). 

Zij hadden drie kinderen : Jan Lippins sr, gehuwd met Pieryne Tys, Schepen van Eeklo, Lysbette (†1573), gehuwd met Jacob d'Herchere, Schepen van Eeklo, en Jacob III Lippins, geboren ca 1500, toekomstige Baljuw en in 1522 gehuwd met Clara de Baets, dochter van Burgemeester de Baets.

Macht en ondergang van de Familie Lippens in Eeklo

De opgang van Jacob II Lippins.

Maximiliaan benoemde zijn 16-jarige en frivole zoon Philips (1478-1506), tot regent van de Nederlanden en Franche-Comté. Door zijn huwelijk met Johanna de Waanzinnige in 1495 werd hij vorst van een immens Rijk. Hij was minder oorlogszuchtig dan zijn vader en sloot vrede met de Franse koning die hij erkende als leenheer van het Graafschap Vlaanderen (1498). Hij sloot eveneens vrede met Engeland, geapprecieerd door de Vlamingen. Tijdens zijn bewind was de textielnijverheid weer in bloei. De textielneringen waren overgeschakeld van de wol naar linnennijverheid. Het bestuur van het voldersgilde (bewerkers van de lakens) was in handen van eenmaander (voorzitter) en drie gezworenen. De familie Kervyn, voorvaderen van de adellijke familie Kervyn, oefende dikwijls een bestuursfunctie uit. 

Na zijn studies en huwelijk, begon Meester Jacob II Lippins een lange politieke carrière in Eeklo. 
Door de commissarissen van de Regent bij een Racorde werd hij tot 6de schepen in 1494, tot 4de in 1497 , tot 5de in 1501, tot 3de in 1507 benoemd.
In 1494 werd hij als voogd aangesteld van Jan jr Lippins, zoon van zijn Eloy, broer van zijn grootvader Jacob I Lippins.

Jacob II was een choleriek persoon, want in 1505, - hij was toen al schepen geweest -, stichtte hij brand in de moere ten zuiden van de stad. De stad was tussengekomen omme 't blusschen van de viere. Een proces volgde, eerst verloren in Eeklo, en daarna in beroep gewonnen voor de Raad van Vlaanderen. Wanneer een Eeklonaar een zaak in beroep gewonnen had, was de winnende partij een som verschuldigd aan de stad, hetgeen Jacob II ook deed. Als jurist oefende hij zeer waarschijnlijk zijn beroep uit in Gent tussen twee mandaten als schepen in Eeklo. Daarvoor moest hij zich inschrijven als buitenpoorter van die stad.

Philips de Schone en Johanna bezochten Eeklo op 21 maart 1497 er opnieuw in 1498 met herbevestiging van de Keure. Eind februari 1500 zal Johanna bevallen. Dit familiaal gebeuren was een evenement van Europees formaat. Was de spruit een zoon, dan was hij vorst van een immens imperium net als Karel de Grote of Alexander de Grote. 
Was het een dochter dan kon een devolutieoorlog ontstaan in gans Europa. 

Twee dagen voor de geboorte van Karel V, op 22 februari 1500 vereerde de hoogzwangere Johanna Eeklo met een bezoek. Deze gebeurtenis ging gepaard met grootse feestelijkheden. Zij werd ontvangen door het kruim van de Keurbroeders, bestaande uit de families de Baets, Sanders, d'Hane, d'Herckere, Kervyn en uiteraard door Meester Jacob II Lippins. Deze keurbroeders waren bijna allen verwanten door huwelijken. 

Op 24 Februari, enkele dagen later, 1500 schonk Johanna het leven aan Karel, de toekomstige Keizer, in het Prinsenhof te Gent, een enclave binnen het feodale Europa, waardoor Karel geen feodale verplichtingen had tegenover de Koning van Frankrijk of de Keursvorsten van Duitsland.
De hypotheses dat Karel V in Eeklo zou geboren zijn weerlegd. Enkele maanden later was Johanna met haar doorluchtige baby op bezoek in Eeklo, uiteraard met gepaste viering. 
In 1502 ging het koninklijk paar naar Castilië, waar Philips niet zeer gelukkig was. 
In 1506 was Philips terug in Brugge maar vertrok meteen naar Spanje en stierf nog hetzelfde jaar in september.

Maria van Hongarije

Keizer Karel. (1530-1555). Baljuw Jacob Lippins III (4).

De eerste helft van de 16de eeuw ging het economisch goed in Vlaanderen. Het zwaartepunt lag niet meer in Brugge maar in Antwerpen. In Eeklo bloeide de economie en was de familie Lippens de machtigste van de stad. Het zou verkeren na 1550. Meester Jacob II was Baljuw tot 1534, maar hij ontving ten huuse in Kaprijke, waar hij een hofstede bezat.
Er heerste toen een opflakkering van een dodelijke epidemie, De Swetende ziekte of Sudor Anglicus, een hyper acute infectieziekte, heviger dan in de jaren 1522-1524.
In Kaprijke ontving hij de Hoogbaljuw van Aalst en de Pensionaris van de Raad van Vlaanderen. 
Hij ontving als Baljuw in 1532 de Regentes, Maria van Hongarije, zuster van Keizer Karel bij haar doortocht door Eeklo, in gezelschap van Antoine de Croye, opperjager van het Graafschap Vlaanderen. 
De regentes, een fervente jageres kwam frequent jagen in de bossen van haar geliefde Eeklo. Jacob Lippins II leefde op hoge voet.
Hij had inkomsten van vastgoed; van de stad ontving hij een vergoeding voor de pacht van het innen van een Thol voor het functioneren van een sluis op de Lieve, de Rabate genoemd en hetzelfde voor de Rabate van het Leyken, een kanaal binnen Eeklo. 
Ook nog de zeer lucratieve inkomsten van de pacht op de verkoop van wijn, de Wynassise.
De stad gaf de keurbroeders de pacht vele diensten ; een deel van de opbrengsten kwam ten goede van de keurbroeder. De meest begeerden waren de pacht op de verkoop van wijn (wynassisen), bier, graan, het uitbaten van de molen, de tol op de sluizen (rabate) , enz. 

In 1534 bedroeg de opbrengst van de Wynassise, jaarlijks 256 Lp (Parijse ponden), thans ong. 5000 €. Jaarlijkse Erfelijke renten betaalde hij en zijn opvolgers aan de stad op Bamesse, feestdag van St-Baafs op 1 oktober voor vastgoed in vroegere tijden ter beschikking gesteld aan de keurbroeders. 
In 1534 deed de geëerde Baljuw zijn laatste voyagie naar Gent samen met de schepenen Pieter Kervyn en Danneel de Baets, zijn toekomstige schoonzoon in verband met het aanleggen van een rioolnetwerk en het leggen van kassei en (cauchies) in Eeklo. 
Toen de beroemde Albrecht Dürer in de jaren 1520-22 de Nederlanden bezocht, bewonderde hij ondermeer Eeklo voor zijn nette straten, belegd met stenen. Misschien hadden de schilder en de Baljuw elkaar gegroet. 

Meester Jacob II Lippins stierf ca 1539, Mer Jacob Lippins kerckelycke doot, in zijn hofstede in Kaprijke zoals vermeld in de Staten van Goed opgesteld na het overlijden van zijn schoondochter Clara de Baets. 
In hetzelfde jaar werd een dag van rouw gehouden voor het overlijden van de KeyzerinneIsabella van Portugal (1503-1539), echtgenote van Keizer Karel. 

Jacob II Lippins liet drie kinderen na : Jan, genaamd "de Oude", Jacob III Lippins en Lysbette. Jan Lippins de oude stierf omstreeks 1560 maar betaalde postuum, door onwetendheid van de griffier, nog een kleine rekening voor jaarlijkse erfelijke renten van enkele schilling van de stad tot na 1572. 
Jan sr. had met Pieryne Thys meerdere kinderen, allen Calvinist in de troebele jaren.
Meester Pieter Lippins, raadsheer bij de Raad van Vlaanderen en raadsman van Eeklo, waarvoor de stad hem dankbaar beloonde: hij moest bij zijn vertrek geen “recht van Issuwe”, een belasting bijvertrek uit Eeklo, betalen ; stierf in 1567.
Jacob Jansone (Jaak) woonde op de Markt bij zijn vader en bezat meerdere eigendommen in Eeklo. 
Johannes (Jan, Jehan) Lippins, Chirurgijn en de toekomstige Predikant of dominee. 
Ampleunie, die Eeklo verliet in 1559. 
Heyndrick en tenslotte Cornelis, calvinistische schepen in 1581. 

Chirurgijn Jan Lippins de jonge, was een gesworene chirurgijn en had de eed afgelegd bij een college van erkende chirurgijnen en een medicus en mocht bijgevolg de titel van "Meester" dragen. Hij woonde op het Spriet nabij de Vismarkt . Eerst gehuwd met Lysbette van den Hende, dochter van de kerkontvanger Pieter. Een familielid en naamgenootfamilielid was Pieter van den Hende, suffragaan of wijbisschop van Luik, een priester gewijd als bisschop zonder diocees. 
Een tweede maal gehuwd met Martyne Ymans en een derde maal met Elysabeth Schautteete. De tweede zoon van Jacob II, Jacob III Lippins III werd als zijn vader Baljuw van Eeklo, stapte tweemaal in het huwelijksbootje en had negen kinderen. 
Hij was eerst gehuwd met Clara de Baets, dochter uit een tweede huwelijk van Burgemeester Daneel. Haar halfbroer Franchoys de Baets was later Baljuw en streng Katholiek. Clara, geboren ca 1500, stierf ca. 1543.
De Staten van Goed van haar zes weeskinderen werden pas opgesteld in 1547, na het tweede huwelijk van Jacob III in 1544. Gezien Clara enkel een meerderjarig kind had (meer dan 25 j.) huwde ze Jacob III in ca. 1518. 
De bruiloft van de zoon van de roemrijke Baljuw en de dochter van de Burgemeester was een groot mondain evenement in Eeklo. Jacob III zag het licht ongeveer rond 1495. 
Met Clara had hij zeven kinderen:
Franchyne, het enig meerderjarig kind (25 jaar) bij het overlijden van Clara en gehuwd met Pieter van Speybrouck.
Catheline (U 1571) huwde Willem Mannins. Zij hadden drie kinderen waarvan Willem schepen tijdens het calvinistisch bewind.
Danneel, weduwnaar voor 1572.
Maria, gehuwd met Baldwyn Craeye (dochter Maykin), die diensten bewees aan de stad.
Anna, gehuwd met Arnould Dierkins, (U 1572), die lid was van "de Tafels van de H.Geest", een burgerlijk georganiseerde armenzorg met een behoorlijk salaris voor de leden, gekant tegen de toenemende bemoeienis van de clerus. Een familielid Anna Dierkins vluchtte als protestant naar het Noorden.
Jacob IV Lippins

Jan (Johannes) filius Jacobs.

Na het overlijden van zijn eerste vrouw Clara, stapte Jacob III Lippins in 1544 in een tweede huwelijksbootje met Cornelia Hellin, dochter van Nicolaes, Raadsheer bij de Raad van Vlaanderen.
Zijn tweede bruiloft was eveneens een evenement en werd met 12 kanne wyns op het schepenhuis gevierd. Zij kregen nog twee kinderen Philips en Jan, later gehuwd met Tryskin Dierkins.
Jacob III Lippins en zijn kinderen kochten en verkochten heel wat vastgoed.
Het derde kind van Meester Jacob II was Lysbette Lippins, gehuwd met Jacob d'Herchere (+1572). Vader Jan d'Herchere had drie kinderen. Jacob, gehuwd met Lysbette Lippins; 
Burgemeester Berthelmeus, wiens zoon, Jacob d'Herkere, protestants schepen was in 1571 en overleden in 1572 en tenslotte Anthonyne d'Herchere, gehuwd met Baljuw Clayes Yman met als dochter Martyne Ymans, tweede echtgenote van Johannes Lippins. 
In 1551 verlieten het echtpaar J. d'Herckere - L. Lippins met hun kinderen Eeklo. Een ander familielid, Frans d'Herckere, werd als calvinistisch verbannen verklaard.

Geschiedenis van Eeklo

Terug naar de geschiedenis van Eeklo. Jacob II Lippins werd als Baljuw opgevolgd door Claeys Ymans, gehuwd met Anthonyne d'Herckere, zijn kleindochter, in september 1534 en in 1536. Claeys Ymans was verwikkeld in een corruptieschandaal betreffende het Recht op Issuwe en moest ontslag nemen als Baljuw.

In september 1542 werd Jacob III Lippins, net als zijn vader, Bailliu dezer stede voor een periode van twee jaar. In enkele akten werd hij vermeld als Meester, een schrijffout van de griffier. Meteen was er ruzie met Clayes Ymans, onder baljuw. Deze moest een boete betalen waarop Jacob III voor 1/3 recht op had. Hij had dat jaar een druk programma met diverse voyagien
Deze reizen, soms gedurende enkele dagen, waren een begeerde opdracht: ze werden goed gehonoreerd en kregen een goed onderdak en uitstekende maaltijden. 
Betreffende nieuwe belastingen opgelegd door Keizer Karel ging hij naar Brugge. 
Een ophefmakende voyagie was deze naar Tielt. In die stad aangekomen werd hij prompt gearresteerd en als gijzelaar in de gevangenis gezet, want Eeklo had er nog onbetaalde schulden. Een renvoye werd naar Eeklo gestuurd. Op zijn beurt stuurde Eeklo de onder-Baljuw, Clayes Yman, niet zijn beste vriend, en de Voorschepen naar Tielt voor evaluatie van schulden en de kosten van verblijf in de gevangenis inclusief de mondkosten, geleverd door een lokale herbergier. 
In 1543 kreeg de Baljuw zijn keerlaken (habijt) ,afgeboord met een biezeken .
Als Baljuw maakte hij dat jaar nog een voyagie naar Axel om informatie verkrijgen over een boef die een huis in Eeklo had beroofd. Daarna nog een reis naar Gent bij de Raad van Vlaanderen voor bemiddeling in de slepende zaak De Zwaef : de erfgenamen van deze bemiddelde keurbroeder waren uitgeweken naar Maldegem zonder het Recht aan Issuwe te betalen. Nog verschillende malen naar Gent, om een tquaet rappoort van de wattre te aanhoren. Gent beschouwde de kanalen De Lieve en De Slepeldamme, die Gent met de Zwinhavens verbond als hun eigendom, maar voor het onderhoud van bruggen en het baggeren moesten de tussenliggende steden zorgen.

Op 1 september 1544 werd hij benoemd tot tweede schepen en in 1545 tot Voorschepen. 
Als Voorschepen of schepen ondernam hij meerdere goed gehonoreerde voyagiën; naar Gent en Maldegem voor de zaak Zwaef,. Eeklo moest de kanalen beter onderhouden; nogmaals naar Gent voor het probleem van descholastrie (onderwijs). 
In september 1544 werd een groots feest georganiseerd ter gelegenheid van de vrede van Crépy tussen Keizer Karel en de Franse koning, waarbij deze laatste afstand deed van zijn Feodaal recht op Vlaanderen en Artesië. 
De zwaardspelers streden tegen deze van Assenede en St-Gillis-Waas. De Schuttersgilde van St-Jooris uit Gent kwamen schieten tegen een andere gilde van Gent. 
Een groep Spanjaarden vergezelde ze maar gingen over tot baldadigheden en plunderingen. 

De eerste opstand 1565-1568

De winter van 1564-65 was de koudste van de eeuw met ijsbergen voor Rotterdam, gevolgd door mislukte oogsten. Door de oorlog met Scandinavië verminderde de invoer van graangewassen. 1566 was dan ook hethongerjaar genoemd. Dat was figuurlijk koren op de molen van het calvinisme
Zowel in Frankrijk als in de Nederlanden. De Franse hugenoten, bosgeuzen genoemd, infiltreerden de zuidelijke Nederlanden. Maar in Vlaanderen, Brabant en de Noordelijke provinciën zou een orkaan uitbarsten. In 1566, het hongerjaar, werd de oom van Jacob IV Lippins, de katholieke Franchoys de Baets Baljuw en in 1567 werd de protestantgezinde Franchois Kervyn, Burgemeester.
De grote heersende armoede ten gevolge van werkeloosheid door de oorlog met Engeland en de Baltische landen, werd een broeinest van opgehitste calvinisten. Het Verbond der Edelen stuurde op 5 april 1566 een brief naar landvoogdes Margareta van Parma het Smeeksckrifi der Edelen met de vraag van een verzachting van de plakkaten en de afschaffing van de terechtstelling om geloofsovertuiging. De lagere Edelen, want de Hoge Adel met Willem de Zwijger, Egmont en anderen hadden het manifest niet getekend, werden les Gueux genoemd. In 1566 manifesteerden de calvinisten zich publiekelijk door overal in de Nederlanden, vooral in Vlaanderen, Henegouwen en Brabant openluchtvergaderingen, de zogenaamde Hagenpreken (les presches), te houden meestal 's avonds buiten de stad. De predikers waren aangevoerd door een opgeleide predikant.
Ze werden het eerst gehouden in het Westerkwartier rondom Kassel, Hondschote en Veurne, verpauperde textielstadjes. Op 30 juni 1566 namen ca. 30.000 mensen deel aan een vergadering rond Antwerpen, bijgestaan door milities. Bij de racorde in september 1565 had Jan Lippins Eeklo verlaten voor Hulst, ook een calvinistisch bolwerk. 
Vandaar ging hij heimelijk naar Emden in oost-Friesland (D) waar hij tot Predikant werd benoemd onder de naam Dominee Johannes Lippius, en vandaar naar Breda. 
In 1566 was hij terug in Eeklo. In zijn woning aan het Spriet kwamen calvinistische kopstukken bijeen om de Hagepreken te organiseren. Op 11 juli 1566 werden de eerste Hagepreken door bekende predikanten gehouden in Eeklo, aangebracht door Jan Lippins: 

la première preche quy se faisoit par les sectaires fuist I'unzoesme de juillet 1566, du soir
bien tard, comme à ix ou dix heures, peu hors de la ville d'Eecloo, verklaarde de recent benoemde pastoor M.Pasia. Naar schatting bedroeg het aantal toehoorders tussen de 500 en 600, in de wetenschap dat op het bijwonen van dergelijke preken de doodstraf stond. De toehoorders waren hoofzakelijk afkomstig uit Eeklo en Lembeke en enkele uit de omliggende parochies, en sommige gewapend. Keurbroeders zoals Jan Lippins en zijn broers, waren uiteraard present.
Burgemeester Jooiis Kervyn was au commenchement esté deux ou trois fois à la presche, net zoals Schepen Jan Besoete, ook protestantgezind. De bevolking van Eeklo stond helemaal niet vijandig tegenover de nieuwe religie ondanks het verzet van een harde kern katholieken met Pastoor Pasia en Franchoys de Baets. Het was niet verwonderlijk dat de Magistraat maar flauwtjes reageerde.
Op vrijdag 9 augustus 1566 verbleven Gentse calvinisten, op doortocht naar Brugge, in Eeklo en aten er ostentatief varkensvlees, door het katholieke geloof op vrijdag verboden. Ze trokken de kerk binnen om er te prediken, die dan als geprofaneerd werd beschouwd. Tussen Eeklo en Raveschoot, in de bruggestraat, werd een lokaal ingericht voor calvinistische vergaderingen, die plaats hadden op zondag en op donderdag, de wekelijkse marktdag van Eeklo. Door een akkoord met het bestuur werden deze vergaderingen als legaal beschouwd.

Maar de preken waren maar de voorbode van een buitengewone ernstige revolte, de fenomenale Beeldenstorm. Op 10 augustus brak de storm los in Poperinge en breidde zich razendsnel en op ordelijke wijze uit: op 20 augustus 1566 in Antwerpen; op 22 augustus in Gent en op 23 augustus Eeklo; op 24 augustus in Valenciennes en Amsterdam. 
In Eeklo stond een grote menigte paraat om het klooster van O.L.V ten Doorn binnen te dringen maar de zeer katholieke Baljuw, Franchoys de Baets, schoonbroer van Jacob Lippins III, kon de plundering tegenhouden. De Beeldenstorm verliep in mineur in Eeklo met vernielingen van een paar beelden en een kruisbeeld. Kostbare stukken werden in veiligheid gebracht. Naar het voorbeeld van Gent werd op 10 october 1566 een tempel opgericht aan de Brugsche poort. Op 5 februari 1667 kwam Graaf Egmont, de katholieke maar tolerante Gouverneur-generaal van Vlaanderen, die in zijn functie de hervorming moest tegengaan, naar Eeklo om de Magistraat, waaronder de calvinisten Jan Lippins en Jooris Kervyn, op het stadhuis uit te horen met de vraag dat zij toelating zouden hebben gegeven de Hagepreken te laten begaan. Daarop antwoordde Jan Lippins en andere calvinisten dat zij van geen verbod afwisten en toonden zelfs aan de Graaf een geschreven toelating van hogerhand, waarop Egmont de volgende woorden uitsprak : Comment  messieurs vous obeyssez plus au serviteur que au maistre. Egmont liet honderd roorocks (krijgslieden) in Eeklo om verdere preken te beletten. 
Op 16 februari werd de laatste preek gehouden maar in april ging Baljuw Franchoys de Baets naar Brussel om Egmont in te lichten dat de hervormden hun activiteiten niet staakten.
Einde mei 1567 kwamen rooirocks uit Gent en arresteerden enkele Eeklose calvinisten, maar velen hadden de vlucht genomen. In juli vluchtte Jan Lippins naar Brugge en verdween naar het noorden om te belanden in deVlaamse Gemeente van Emden in Oost-Friesland (Duitsland).

Spaanse milities kwamen in 1568 Eeklo bezetten. Arnaut Dierkins, echtgenoot van Anna Lippins, dochter van Jacob III, kreeg van de stad opdracht om de maistre del campo, de kapitein om te kopen met een venezoen(venaison) of steekpenningen opdat de troepen niet door maar langs Eeklo zouden marcheren. Ondanks enkele executies weigerden de milities van de Edelen tegen de calvinisten op te treden tot grote ergernis van de Koning. Ook de Edelen waren nu gekant tegen de misdaden van de Kerk: de toenemende inquisitie, het onzedelijk gedrag van de Geestelijkheid, hun niet verplichte belastingen en hun inmenging in de lokale besturen. Zelfs Landvoogdes Margareta stemde in met een grotere tolerantie. Toch ging de Beeldenstorm door in de noordelijke staten. 
De calvinisten, op hun beurt, begonnen zich stilaan militair te organiseren.
Spaanse troepen, sterk op het vaste land, palmden in december 1566 calvinistische steden als Doornik en Valenciennes in. De eerste opstand stortte op alle fronten ineen. De Prins van Oranje vluchtte naar Duitsland. Philips II reageerde door Alva met een groot leger te sturen naar de Nederlanden. Vanuit Lombardije vertrok de Hertog met een leger van 10.000 man.

De derde opstand. 1576-1581

Calvinistisch Vlaanderen (1579-1584).

In 1576 was Philips II weer failliet en het leger van de Edelen, voorstander van godsdiensttolerantie, was bereid tot het staakt-het-vuren en moedigde de Staten-Generaal aan geen oorlogsbelasting meer te betalen. Het Spaans bestuur was volledig in diskrediet gevallen, zowel bij soldaten in dienst van Spanje als bij de bevolking. 
Don Juan, bastaardzoon van Keizer Karel en halfbroer van Philips II werd landvoogd. Willem van Oranje, de leider van de Edelen en het leger van de Staten-Generaal, wist direct munt te slaan uit de toen algemeen anti-Spaanse stemming in Noord en Zuid, bij protestanten en katholieken, hetgeen leidde tot de Pacificatie van Gent op 8 november 1576. 
Voor het eerst werd de eenheid van de Zeventien Provinciën, vertegenwoordigd door afgevaardigden van de Staten-Generaal, bereikt op basis van een aanzienlijke mate van religieuze tolerantie en met een verwijdering van een deel van de Spaanse troepen. 
Op 12 februari 1577 ondertekende Don Juan Het Eeuwig Verdict waarbij hij de Pacificatie erkende. Maar Oranje wist bij voorbaat dat Philips II dat Edict nooit zou aanvaarden. 
Don Juan nam de vlucht. Mede door de pestepidemie in 1577 namen overal waar de calvinisten het voor het zeggen hadden, het bestuur in handen. 

In Gent, op 28 oktober 1577, stichtten Hembyse en Ryhove een intolerante calvinistische theocratie. Gent stuurde soldaten naar Eeklo, Hulst en Axel (1578), waar het bestuur eveneens calvinistisch werd. Lippius kon nu publiekelijk de nieuwe religie prediken in Hulst. Brussel en Antwerpen volgden. Brugge, Kortrijk werden calvinistisch in 1578. 

In 1583 werd Philips de Marnix, Baron van Aldegonde en privésecretaris van Oranje, Burgemeester van Antwerpen. In Zeeland en Holland werden de meeste steden bestuurd door de Calvinisten. De woede van vele Calvinisten was groot en vele monniken, zogezegd omdat zij gezondigd hadden aan sodomie, kregen de strop. Maar in 1577-78 ontstond een schisma tussen de Edelen. De overwegend katholieke Edelen uit het Zuiden zoals Namen, Artesie en Henegouwen, onder leiding van Emmanuel de Lalaing waren niet tevreden, malcontent, met het calvinistische Noorden. 
Het leger van de Malcontenten versloeg het Staatse leger te Gembloux op 31 januari 1578. Het calvinistisch bestuur in steden van Henegouwen en Artesie werd overgenomen door de Malcontenten. Op 23 januari 1579 werd de Unie van Utrecht ondertekend door de zeven Noordelijke Provinciën. Het calvinisme werd er tot staatsgodsdienst uitgeroepen, met godsdienstvrijheid voor de andere belijdenissen, die privé mochten vergaderen.
De Verenigde Provinciën hadden per provincie een eigen bestuur. 
Enkel voor buitenlandse en militaire aangelegenheden kwamen ze eensgezind naar buiten. Het werd een republiek en het Huis van Oranje bleef Stadhouder van Holland en Zeeland. Bij militaire acties kreeg de Stadhouder het bevel van het Staatse leger. 
De Malcontenten tekenden de Unie van Atrecht op 17 mei 1579 in naam van de Staten van Artesie, Henegouwen, Namen en Waals-Vlaanderen (Rijsel) en verzoenden zich
met Philips II. Vlaanderen en Brabant zaten tussen twee vuren. Ze waren meestal calvinistisch, maar op het vasteland was het Spaanse Leger machtig in tegenstelling tot de Verenigde Provinciën waar het Staatse leger en de Watergeuzen meester waren van het moeras der Nederlanden. Met het Plakkaat aan Verlatinge in 1581 scheurden de Verenigde Provinciën zich officieel maar eenzijdig af van Spanje.

De negentiende eeuw

Leon A. Anne Marie Ghislain Lippens was de zoon van de bosbouwkundige Raymond Lippens (1875-1964), die in 1921 in de adelstand werd opgenomen en van Ghislaine de Béthune (1889-1969).
Hij was de schoonzoon van de liberale politicus en minister Maurice August Lippens, die in 1936 in de adelstand werd opgenomen met de titel van graaf, titel die op Léon Lippens werd overgedragen.
Léon Lippens trouwde in 1936 met zijn achternicht Suzanne Lippens (1903-1985), met wie hij vier kinderen kreeg:

  • Mary (1937), in eerste huwelijk met kunstschilder Roger Nellens
  • Elisabeth (1939), getrouwd met prins Ferdinand von Bismarck-Schönhausen
  • Leopold (1941), burgemeester van Knokke-Heist
  • Maurice (1943), voormalige voorzitter van de Fortis-groep.

De huidige familie Lippens hebben hun wortels in het Waasland 
(in Moerbeke-Waas leidden ze tot het begin dit jaar nog de suikerfabriek Iscal Sugar).

Een vroege voorvader van Maurice en Léopold Lippens trok op het einde van de 18de eeuw naar Knokke, toen nog een arm vissersdorpje.
Hij was aannemer in indijkingwerken, maar dijkte vooral ook polders in voor zichzelf. 
Hij werd stilaan eigenaar van de hele kustgemeente. Er is niet voor niets een Lippenslaan in Knokke.
De gouden zet bij de familie Lippens kwam er halfweg de 19 de eeuw. 
Hippolyte Lippens en zijn zus Stéphanie sloegen een zus en een broer uit de familie de Kerckhove de Denterghem aan de haak. 
De huwelijken met de leden van deze oude adellijke familie uit Gent legden de Lippens geen windeieren. 
Hippolyte volgde zijn schoonvader, Charles de Kerckhove, op als burgemeester van Gent. 
De ambitieuze Hippolyte werd ook lid van de Kamer en de Senaat. Daar zetelden toen de echte machthebbers van het land. 
Nog in de 19 de eeuw: broer August Lippens veroverde Marie 't Serstevens. 
Haar familie was een grote aandeelhouder bij de Generale Bank en de Assurances Générales (AG). 
Zo tuimelde een Lippens in de wondere wereld van 'les hautes finances'.

Léon Lippens

Léon Lippens werd in 1947 burgemeester van Knokke en had aandelen in de steenbakkerijen van Knokke en Snaaskerke en exploiteerde enkele jaren een suikerplantage in Congo, maar een groot zakenman was hij niet.
Hij haatte «de slechte mensen» van de Generale Maatschappij in Brussel, maar bouwde wel verder aan de familiale vastgoedvennootschap Compagnie Het Zoute, die nu nog Knokke beheerst. 
Léon was een godsdienstige poëet, natuurliefhebber en jager. 
Hij tuurde het liefst naar watervogels en was de grondlegger van natuurreservaat 't Zwin. 
Hij dweepte met de geschriften van Pierre Teilhard de Chardin, een Franse theoloog die zijn leven lang zocht naar een evenwicht tussen de strenge katholieke leer en de moderne natuurwetenschappen.
Léon en Suzanne Lippens kregen vier kinderen, één om de twee jaar: 
Marie (1937), Elisabeth (1939), Léopold (1941) en Maurice (1943).
De zussen trouwden een goede partij en leven in de anonimiteit. 

(Indien u gebruik wil maken van het geheel of delen van dit artikel, wees dan zo correct om toelating te vragen aan "Cnocke is hier")
Bron van dit artikel: Cnocke is hier: 
Jaargang 2011, tijdschrift 48 a en Jaargang 2012, tijdschrift 49 a